Partijen, voormalige partners en contractuele medehuurders van een woning, zijn in geschil over het exclusieve gebruik van de huurwoning en de omgang met hun minderjarige kind. De vrouw vordert het uitsluitend gebruik van de woning en dat de man deze binnen drie dagen verlaat, terwijl de man hetzelfde vordert voor zichzelf en tevens een omgangsregeling met het kind.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verblijf bij de moeder van de vrouw geen passende vervangende woonruimte is en dat beide partijen geen alternatieve woonruimte hebben. Vanwege het eenhoofdig gezag van de vrouw en haar grootste aandeel in de verzorging van het jonge kind, krijgt zij het exclusieve gebruik van de woning toegewezen. De man krijgt een termijn van zeven dagen om de woning te verlaten.
Ten aanzien van de omgang met het kind stelt de rechter een voorlopige regeling vast waarbij de omgang geleidelijk wordt opgebouwd, met omgangscontacten in de woning zonder aanwezigheid van de vrouw. Er zijn geen voldoende aannemelijke contra-indicaties voor omgang. Beide partijen worden verwezen naar een zorgtraject en de Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken voor advies in de bodemprocedure.