Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, ontvangt een Nederlandse AOW-uitkering en een pensioenuitkering waarop hij Nederlandse belasting betaalt. Hij wenst een bedrag aan alimentatie in mindering te brengen op zijn pensioenuitkering voor de inkomstenbelasting 2018. De rechtbank overweegt dat het feit dat alimentatie bij de ontvanger belast is, niet automatisch leidt tot aftrek bij belanghebbende. De Nederlandse regelgeving kent geen aftrek voor buitenlands belastingplichtigen tenzij zij kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen zijn, wat belanghebbende niet is vanwege het niet voldoen aan de inkomenseis van 90%.
Belanghebbende betoogt dat de inkomenseis onbillijk is, maar de rechtbank wijst dit af omdat de rechter de billijkheid van de wet niet mag toetsen. Ook de uitbreiding van het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige op grond van artikel 21bis UBIB 2001 is niet van toepassing, aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd is vanwege een laag wereldinkomen.
De rechtbank erkent dat op grond van het Unierecht, met name de Schumacker-rechtspraak, Nederland rekening kan houden met persoonlijke en gezinssituaties bij het bepalen van het belastbaar inkomen. Echter, belanghebbende heeft onvoldoende gegevens aangeleverd om te beoordelen of hij in een Schumacker-situatie verkeert. Hierdoor leidt het Unierecht niet tot een andere uitkomst. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2018 blijft ongewijzigd.