Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
“(…) De omstandigheid dat een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie de door hem gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate kan exploiteren, is bij een huurovereenkomst gesloten voor 15 maart 2020, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in art. 6:258 BW Pro op grond waarvan de rechter de huurovereenkomst kan aanpassen door de huurprijs te verminderen. (…)”.