Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De overwegingen omtrent het beslag
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verdachte werd beschuldigd van het vervalsen van haar bedrijfsadministratie door het opnemen van vijftien valse facturen van een derde partij in de periode van januari 2011 tot februari 2013. De verdediging betoogde dat de facturen betrekking hadden op daadwerkelijk geleverde prestaties en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar verklaringen van medeverdachten.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was op grond van artikel 69 lid 4 AWR Pro, maar verwierp dit verweer omdat vervolging plaatsvond op grond van artikel 225 lid 1 Sr Pro. De rechtbank stelde vast dat er weliswaar feiten en omstandigheden waren die vragen opriepen, maar dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat er geen prestaties tegenover de facturen stonden.
Het dossier bevatte verklaringen van medeverdachten die de geleverde prestaties bevestigden, maar het Openbaar Ministerie had geen nader onderzoek gedaan naar deze verklaringen. Ook was er correspondentie tussen verdachte en de facturerende partij die niet als vervalst kon worden aangemerkt. Gezien deze omstandigheden sprak de rechtbank verdachte vrij.
Daarnaast werd het beslag op goederen en geldbedragen opgeheven en teruggegeven aan verdachte, aangezien er geen strafvorderlijk belang meer bestond. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 januari 2022.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van vervalsing van de bedrijfsadministratie.