ECLI:NL:RBZWB:2022:2593

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 9665
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsvormwijziging en de aanvraag van een doelgroepverklaring voor loonkostenvoordeel

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 13 mei 2022 uitspraak gedaan in een geschil tussen een belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst over de toekenning van loonkostenvoordeel (LKV) na een rechtsvormwijziging. De belanghebbende, opgericht op 18 maart 2019, had eerder als vennootschap onder firma (vof) gefunctioneerd en had recht op LKV voor een aantal werknemers. Na de omzetting naar een besloten vennootschap (B.V.) diende de belanghebbende opnieuw een aanvraag in voor LKV, maar de inspecteur weigerde deze aanvraag op basis van het feit dat de werknemers bij de B.V. geen geldige doelgroepverklaringen hadden.

De rechtbank oordeelde dat de belanghebbende, als nieuwe werkgever, niet automatisch recht had op de eerder toegekende LKV. De wetgeving vereist dat voor de toekenning van LKV een geldige doelgroepverklaring aanwezig is bij de werkgever. De rechtbank stelde vast dat de werknemers bij de oprichting van de B.V. geen geldige verklaringen hadden, waardoor de inspecteur terecht geen LKV had toegekend. De rechtbank erkende dat de belanghebbende zich benadeeld voelde door deze uitkomst, maar benadrukte dat de wet geen ruimte biedt voor een andere interpretatie.

De rechtbank verwierp ook het argument van de belanghebbende dat de inspecteur het motiveringsbeginsel had geschonden, omdat de inspecteur per werknemer had uitgelegd waarom de aanvragen waren afgewezen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/9665
uitspraak van 13 mei 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 12 oktober 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 2019 (beschikkingsnummer [beschikkingsnummers] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2022 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord namens de inspecteur, [inspecteur] , [inspecteur] en [inspecteur] . Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende is opgericht per 18 maart 2019. Daarvoor werden de werkzaamheden in de onderneming verricht vanuit een vennootschap onder firma (vof). De vof had een aantal werknemers in dienst waarvoor recht bestond op een tegemoetkoming loonkostenvoordeel (LKV), te weten [A] , [B] , [C] en [D] (de werknemers).
2.2.
Vanaf het tijdvak maart 2019 heeft belanghebbende aangiften loonheffingen ingediend, waarin de werknemers worden vermeld. In de aangiften heeft belanghebbende verzocht om een tegemoetkoming LKV voor de werknemers.
2.3.
De inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking van 30 juni 2020 vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op de volgende tegemoetkomingen uit de Wtl:
Soort tegemoetkoming
Bedrag
LKV arbeidsgehandicapte werknemer
LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden
Lage-inkomensvoordeel (LIV)
781
Jeugd-LIV
126
Totaal
907
2.4.
In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende na de onderhavige rechtsvormwijziging recht heeft op LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden voor de werknemers. Daarnaast beroept belanghebbende zich op schending van het motiveringsbeginsel.
2.5.
Op grond van artikel 2.1 van de Wtl kan een werkgever een verzoek doen voor een tegemoetkoming LKV. Een van de voorwaarden voor toekenning LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden is dat bij deze werkgever een werknemer in dienstbetrekking is, die een geldige doelgroepverklaring heeft verstrekt aan de werkgever. [1] Een doelgroepverklaring wordt op verzoek door het UWV verstrekt aan degene die een dienstbetrekking met een werkgever aangaat en die voldoet aan de wettelijk voorwaarden. [2]
2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemers een doorlopende Wajong-uitkering hebben. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de werknemers op het moment van indiensttreding bij de vof voldeden aan de voorwaarden voor toekenning van de tegemoetkoming LKV en dat de vof recht had op LKV voor de betreffende werknemers.
2.7.
Belanghebbende stelt dat zij onevenredig zwaar wordt benadeeld, omdat zij uitsluitend vanwege de omzetting van de onderneming van vof naar B.V. geen aanspraak kan maken op de resterende termijn van de tegemoetkoming LKV.
2.8.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende is opgericht per 18 maart 2019 en dat de onderneming van de vof bij de oprichting in belanghebbende is ingebracht. Dat leidt ertoe dat de werknemers per 18 maart 2019 uit dienst zijn getreden bij de vof en per diezelfde datum in dienst zijn getreden bij belanghebbende. Nu de werknemers op het moment dat zij in dienst traden bij belanghebbende niet aan de voorwaarden voor LKV voldeden – vast staat immers dat bij indiensttreding bij belanghebbende geen geldige doelgroepverklaringen zijn verstrekt – heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht geen LKV toegekend. Dat sprake is van een algehele overgang van onderneming maakt dat niet anders. Er is immers sprake van een nieuwe werkgever. De Wtl voorziet, anders dan de voorheen geldende regels over de premiekortingen, niet in een regeling waarbij het recht op de tegemoetkoming bij overgang van de onderneming behouden blijft. Ook de verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 30 november 2021 [3] gaat niet op, omdat de situatie in die zaak niet vergelijkbaar is met de situatie van belanghebbende.
2.9.
De rechtbank heeft er begrip voor dat belanghebbende bovenstaande uitkomst als onredelijk ervaart, maar (de tekst van) de Wtl laat geen ruimte voor een andere uitleg of toepassing. Het is de rechtbank niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. [4] Van bijzondere omstandigheden, die niet zouden zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever [5] , is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Het niet voorzien in een regeling voor de situatie waarin sprake is van de algehele overgang van een onderneming, lijkt een bewuste afweging van de wetgever te zijn geweest, waarbij motieven van vereenvoudiging en geautomatiseerde uitvoerbaarheid een rol lijken te hebben gespeeld [6] .
2.10.
Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden, verwerpt de rechtbank dat betoog. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur per werknemer gemotiveerd heeft uiteengezet wat de reden is geweest voor de afwijzing van het verzoek voor een tegemoetkoming LKV. De inspecteur is daarbij ingegaan op de gevolgen van de overgang van de onderneming en heeft ter toelichting op de regelgeving verwezen naar het Handboek Loonheffingen en het Kennisdocument Wtl. Van strijd met het motiveringsbeginsel is daarom geen sprake.
2.11.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
2.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 13 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wtl.
2.Zie artikel 2.11, eerste lid, van de Wtl.
4.Op grond van artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 304, nr. 3