Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
op 9 augustus 2021 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan
- [verbalisant 4] , werkzaam als hoofdagent bij de Landelijke Eenheid en
- [verbalisant 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Landelijke Eenheid,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met zijn, verdachtes, personenvoertuig voor het dienstvoertuig van voornoemde [verbalisant 4] en/ [verbalisant 1] heeft gereden en vervolgens abrupt en hard op de rem van zijn,
verdachtes, personenvoertuig heeft getrapt ten gevolge waarvan voornoemde [verbalisant 4] hard moest afremmen en ten gevolge waarvan het dienstvoertuig van voornoemde [verbalisant 4] en [verbalisant 1] in aanrijding is gekomen met personenvoertuig van hem, verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
op 9 augustus 2021 te Breda, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 492,98 gram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet immers heeft hij, verdachte, opzettelijk die heroïne in een auto vervoerd met de bestemming Frankrijk;
op 9 augustus 2021 te Breda, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 254,85 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet immers heeft hij, verdachte, opzettelijk die hennep in een auto vervoerd met de bestemming Frankrijk
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partijen
1. kosten eigen risico zorgverzekering 2 x € 385,00
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;
feit 3:het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 4 van Pro de Opiumwet;
een gevangenisstraf van 9 maanden;
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden;