ECLI:NL:RBZWB:2022:1673
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning op €215.000 ongegrond verklaard
Belanghebbende is sinds 2017 eigenaar van een half-vrijstaande woning met een inhoud van 283 m3, gelegen op een perceel van 1.723 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2019 vast op €215.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Na een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde de zaak op 18 maart 2022. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatierapport van november 2019, waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkingsobjecten rondom de waardepeildatum 1 januari 2018. Hierbij werd rekening gehouden met verschillen in ligging, bereikbaarheid, onderhoud en grondoppervlak.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vanwege overlast van spoorlijn, vliegveld en industrie, gebrekkige toegang en lage kwaliteit van bijgebouwen. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar deze factoren voldoende had meegenomen in de waardering, onder meer via een factor 2 voor voorzieningen en ligging en een grondstaffel.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelasting zijn daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €215.000 wordt ongegrond verklaard.