Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering van een verzuimboete van €4.920 opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting 2012. De aanslag bedroeg nihil, en de boete werd opgelegd wegens te late indiening van de aangifte. De inspecteur wees het verzoek af omdat het buiten de wettelijke termijn van vijf jaar na het kalenderjaar van de boetebeschikking was ingediend.
Belanghebbende stelde dat hij pas in december 2019 op de hoogte was van de boete, omdat zijn ex-echtgenote de correspondentie had achtergehouden. De rechtbank oordeelde dat de stukken naar het juiste adres waren gestuurd en dat het achterhouden van de post door de ex-echtgenote voor rekening en risico van belanghebbende komt, die zelf verantwoordelijk is voor zijn fiscale verplichtingen.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim was geweest, niet aannemelijk is en dat het verzoek terecht buiten termijn werd afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de verzuimboete wordt ongegrond verklaard.