Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van Werkplein Hart van West-Brabant om haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 1 oktober 2021 in te trekken vanwege het niet tijdig verstrekken van gevraagde informatie, waaronder bankafschriften en bewijsstukken over ontvangen gezinsbijslag.
Tijdens de zitting op 21 december 2021 werd vastgesteld dat verzoekster niet alle gevraagde stukken tijdig had ingediend, ondanks meerdere verzoeken en verlengde termijnen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gevraagde stukken van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat verzoekster verwijtbaar in verzuim was.
Verzoekster stelde dat zij door de intrekking niet in haar noodzakelijke levensonderhoud kan voorzien en dat sprake is van broodnood, maar de voorzieningenrechter vond dat zij alternatieven had om bijstand te verkrijgen en dat het bestreden besluit naar verwachting stand zal houden.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.