De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 december 2021 het verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, die sinds 2018 onder toezicht staan. De ouders oefenen het gezag uit, maar de kinderen wonen bij de moeder. De GI stelde dat ondanks jaren hulpverlening de situatie tussen de ouders niet verbeterd is, waardoor de ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarigen blijft bestaan.
De vader was aanwezig bij de zitting en uitte zijn vermoeidheid over de situatie en het gebrek aan vertrouwen in de ondertoezichtstelling. Hij gaf geen toestemming voor een nader onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en wenste beëindiging van de ondertoezichtstelling. De moeder was afwezig vanwege coronaklachten.
De kinderrechter oordeelde dat het wettelijke criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De handelingsverlegenheid van de GI en het ontbreken van instemming van de vader met het onderzoek maken het echter nog te vroeg om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De GI moet de situatie opnieuw beoordelen en bij beëindiging de Raad voor de Kinderbescherming betrekken. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 9 mei 2022 en is uitvoerbaar bij voorraad.