Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, sinds 1998 in dienst bij een BV, verkocht in 2012 zijn aandelen aan een derde waarbij een deel van de koopsom als lening werd uitgesteld zonder rentevergoeding, tenzij bij wanbetaling. In 2017 ontving hij een uitkering van €25.000 die door de werkgever als loon werd aangemerkt. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing, dat niet-ontvankelijk werd verklaard, en stelde dat de uitkering een rentevergoeding betrof.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting te laat is ingediend en derhalve niet-ontvankelijk is. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de uitkering verband houdt met de dienstbetrekking, mede omdat de betaling door de werkgever is gedaan en eerdere correspondentie de uitkering kwalificeert als winstuitdeling en loon.
De rechtbank vindt de verklaring van belanghebbende onvoldoende onderbouwd om de uitkering als rentevergoeding aan te merken. De e-mail waarin de uitkering als rentevergoeding wordt bestempeld, is opgesteld na bekendheid met het standpunt van de inspecteur en kan niet afdoende tegenbewijs leveren. De uitkering wordt daarom terecht als loon aangemerkt en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitkering van €25.000 wordt terecht als loon uit dienstbetrekking aangemerkt.