ECLI:NL:RBZWB:2021:6280

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2021
Publicatiedatum
9 december 2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3924
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 11a Wet op de dividendbelasting 1965Stb. 2007, 563
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting voor buitenlandse beleggingsinstelling

Belanghebbende, een buitenlandse entiteit gevestigd in de Verenigde Staten, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012, 2013 en 2014. Zij stelde zich op het standpunt dat zij, gelet op het Unierecht, vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarom recht heeft op teruggaaf.

De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na ontvangst van een verzoek tot nadere motivering van het beroep heeft belanghebbende geen reactie gegeven. De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 het regime van afdrachtvermindering geldt voor boekjaren vanaf 1 januari 2008.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering omdat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn. Daarom bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding. Ook is onvoldoende onderbouwd dat participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf. De beroepen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en verklaart deze ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 18/3924 tot en met 18/3926
uitspraak van 9 december 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] (Verenigde Staten),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.

1.Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op bezwaar op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • het jaar 2012 (zaaknummer 18/3924);
  • het jaar 2013 (zaaknummer 18/3925);
  • het jaar 2014 (zaaknummer 18/3926).
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
De zaken zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen door deze rechtbank. Bij aangetekende brief van 23 september 2021, welke volgens gegeven van PostNL is ontvangen op 24 september 2021, heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het beroep binnen vier weken (nader) te motiveren. Op deze brief heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3]
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Tot slot, in het beroepschrift is gemeld dat het beroepschrift mede is ingediend namens de participanten in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat de participanten wel aanspraak zouden kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting in deze procedure tegen de uitspraken op bezwaar.
De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 9 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.