Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2012 (zaaknummer 17/122);
- het jaar 2013 (zaaknummer 17/123);
- het jaar 2014 (zaaknummer 17/124);
- het jaar 2015 (zaaknummer 17/125).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse entiteit gevestigd in de Verenigde Staten, heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar waarin verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012 tot en met 2015 zijn afgewezen. Belanghebbende stelde dat op grond van Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na uitnodiging tot nadere motivering van het beroep heeft belanghebbende niet gereageerd. Op grond van het overgangsrecht en de relevante fiscale wetgeving geldt voor de jaren vanaf 2008 het regime van afdrachtvermindering, waarbij buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor teruggaaf.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt beperkt door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet inhoudingsplichtig zijn en geen tegemoetkoming krijgen via de afdrachtvermindering. Daarom bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding. Ook is onvoldoende onderbouwd dat participanten in het fonds aanspraak kunnen maken. De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.