Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontving in 2018 een invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht van 2002 tot en met 2018, volledig uitbetaald in dat jaar. Hij gaf dit pensioen aan als belastbaar inkomen in 2018. De inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018, waarop belanghebbende bezwaar maakte.
Belanghebbende stelde dat artikel 13a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) van toepassing is, omdat het pensioenfonds het pensioen ongebruikelijk laat uitbetaalde en hij met het uitkeringsmoment heeft ingestemd. Hierdoor zou het pensioen gespreid over de jaren 2002-2018 moeten worden toegerekend.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden van artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 is voldaan. De enkele stelling van instemming met het uitkeringsmoment is onvoldoende, zeker omdat geen alternatieven werden geboden. De volledige uitkering in 2018 mag daarom in dat jaar worden belast.
Hoewel belanghebbende dit onredelijk vindt, kan de rechtbank formele wetgeving niet toetsen op billijkheid. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en het invaliditeitspensioen wordt volledig in 2018 belast.