Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
Op zichzelf is het juist dat een ondervraging van opsporingsambtenaren na een tijdsverloop van ongeveer vier jaar in het algemeen minder waardevol zal zijn. Zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht, is de verdediging echter al eind 2017 en begin 2018 in de gelegenheid gesteld om de hiervoor bedoelde getuigen te horen op een moment dat het eindproces-verbaal gereed was. Dit leidt ertoe dat de procedure in ieder geval in zijn geheel (‘as a whole’) niet als ‘oneerlijk’ kan worden aangemerkt in de hiervoor door de Hoge Raad genoemde zin. Daarnaast is het zo dat op de regie zitting van 20 december 2019 al een negatieve beslissing is genomen ten aanzien van de gevraagde getuigenverhoren. Dit punt was afgehandeld, ware het niet dat de jurisprudentie met betrekking tot het horen van getuigen nadien wat is gewijzigd ( [naam] ). Slechts om die reden zijn de getuigenverhoren alsnog wel toegestaan. Dat inmiddels tijd verstreken is, is logisch en niet anders en leidt in dit geval niet tot een oneerlijk proces.
Er was één (derde) doos gesloten en deze hebben de verbalisanten niet geopend.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie geen sprake van gewoontewitwassen en medeplegen. Hiervan wordt partieel vrijspraak gevorderd.
Ten aanzien van feit 2 is er geen onderzoek gedaan door de politie naar de verklaring die verdachte heeft gegeven voor de aanwezigheid van het geld, terwijl dit een verifieerbare en niet aanstonds ongeloofwaardige verklaring voor de herkomst van dat geld betrof. Van een criminele bron van het geldbedrag is ook niet gebleken. De verdediging verzoekt verdachte integraal vrij te spreken.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;