Twee minderjarige kinderen verblijven sinds november 2019 vrijwillig in pleegzorg en sinds april 2021 in hun derde pleeggezin. Door complexe, trauma gerelateerde problemen dreigt het huidige pleeggezin het verblijf te beëindigen, omdat de zorg de pleegouders boven het hoofd groeit. De pleegouders zijn alleen bereid de kinderen nog korte tijd op te vangen mits aanvullende hulpverlening wordt ingezet, waarvoor toestemming van de ouders nodig is. De ouders zijn echter onbereikbaar.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt daarom een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zonder voorafgaand verhoor van de ouders. De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling is vervuld en dat onmiddellijke plaatsing noodzakelijk is om ernstige bedreiging te voorkomen.
De kinderrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe voor een termijn van twee weken, waarbij de uithuisplaatsing binnen het huidige pleeggezin wordt toegestaan. Tevens benadrukt de rechter dat de kinderen niet zonder zijn voorafgaande instemming naar een andere pleegzorgvoorziening mogen worden overgeplaatst. De zaak wordt aangehouden voor verdere besluitvorming na een zitting waarbij de Raad, de gecertificeerde instelling en de ouders worden gehoord.