Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Motivering
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Breda, gevolgd door aanmaning, dwangbevel en exploot met invorderingskosten. Belanghebbende betaalde de hoofdsom maar maakte bezwaar tegen de invorderingskosten, dat echter te laat werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke bezwaartermijnen strikt zijn en dat het bezwaarschrift op 7 december 2020 niet tijdig was, aangezien de termijnen al in 2020 waren verstreken. Belanghebbende voerde aan dat verblijf in het buitenland en selectieve postopening de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten, maar dit werd niet aanvaard.
De rechtbank stelt dat het beoordelen van de urgentie van post en het tijdig reageren de verantwoordelijkheid van belanghebbende is. Ook klachten over het invorderingstraject en de bevoegdheidsoverdracht aan Cannock Chase leiden niet tot verschoonbaarheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen invorderingskosten wordt ongegrond verklaard.