ECLI:NL:RBZWB:2021:4814

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
BRE-20_9294
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar forensenbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting 2019, maar diende dit bezwaar na de wettelijke termijn van zes weken in. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar niet tijdig is ingediend en dat de bezwaartermijn van openbare orde is, waardoor niet-ontvankelijkheid volgt. Belanghebbende heeft geen verschoonbare redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding.

Daarnaast heeft de heffingsambtenaar besloten de aanslag niet ambtshalve te verminderen. De rechtbank stelt vast dat zij niet bevoegd is om over deze beslissing te oordelen, omdat een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering niet voor bezwaar vatbaar is en alleen via de civiele rechter kan worden aangevochten.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond en zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op de ambtshalve beslissing. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de rechtbank is onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen de ambtshalve beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/9294
uitspraak van 27 september 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,

belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland,

de heffingsambtenaar.

Motivering

Belanghebbende heeft bij e-mail van 14 september 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslag forensenbelasting voor het jaar 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] en dagtekening 15 juli 2020.
De heffingsambtenaar heeft twee beslissingen genomen naar aanleiding van de e-mail van 14 september 2020. Ten eerste is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Ten tweede heeft de heffingsambtenaar besloten om de aanslag niet ambtshalve te verminderen.
Belanghebbende heeft hiertegen een beroepschrift ingediend. De rechtbank gaat op beide beslissingen in.
Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
De aanslag heeft als dagtekening 15 juli 2020. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan belanghebbende pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden.
De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 26 augustus 2020. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het via de e-mail ingediende bezwaarschrift is op 14 september 2020 bij de heffingsambtenaar ontvangen. Het bezwaarschrift is daarom niet tijdig ingediend.
De bezwaartermijn is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift geen redenen aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.
Het bezwaar is dan ook, gelet op de artikelen 6:7 tot en met 6:11 van de Awb, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom in zoverre kennelijk ongegrond.
Beroep tegen de ambtshalve beslissing
De rechtbank is niet bevoegd om een oordeel te geven over de beslissing om ambtshalve vermindering. Een rechtsgang bij de belastingrechter staat namelijk alleen open met betrekking tot – voor zover hier van belang - een voor bezwaar vatbare beschikking. Een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering, zoals hier aan de orde, is niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Een rechtsvordering kan alleen worden ingesteld bij de civiele rechter als restrechter. De rechtbank verklaart zich daarom in zoverre kennelijk onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- verklaart zich onbevoegd voor zover beroep ziet op de ambtshalve beslissing.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 27 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.