Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen diverse aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2006 tot en met 2016. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de aanslagen van 2006 tot en met 2012, 2014 en 2015 niet-ontvankelijk omdat er geen tijdig bezwaar was gemaakt. De beroepen tegen de aanslagen van 2013 en 2016 worden ongegrond verklaard omdat de belastingheffing juist is toegepast.
Belanghebbende betwistte de heffing van inkomstenbelasting over het pensioen van haar echtgenoot, die een NATO-pensioen ontvangt. De rechtbank oordeelt dat dit pensioen niet tot het belastbaar inkomen behoort en dat de aanslagen daarom niet verminderd kunnen worden. Tevens is vastgesteld dat de rentebeschikkingen correct zijn.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaar- en beroepsprocedures onredelijk lang hebben geduurd, waardoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van €3.000. Materiële schadevergoeding kan niet worden toegewezen omdat de beroepen ongegrond zijn verklaard. De rechtbank wijst het verzoek om proceskosten af maar veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Beroepen tegen aanslagen 2006-2012, 2014 en 2015 niet-ontvankelijk; beroepen tegen 2013 en 2016 ongegrond; immateriële schadevergoeding toegekend.