ECLI:NL:RBZWB:2021:4429
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op €812.000 en na bezwaar verlaagd tot €773.000. De waardepeildatum was 1 januari 2019. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatiematrix met referentiewoningen, maar gaf onvoldoende inzicht in de wijze waarop rekening was gehouden met verschillen tussen de referentiewoningen en de woning van belanghebbende.
Belanghebbende voerde een lagere waarde van €701.000 aan, maar kon deze niet deugdelijke cijfermatig onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat noch de heffingsambtenaar noch belanghebbende hun stellingen voldoende aannemelijk hadden gemaakt. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €740.000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en paste de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig aan. Tevens veroordeelde zij de heffingsambtenaar in de proceskosten en bepaalde een redelijke vergoeding voor de verletkosten van belanghebbende. Het griffierecht werd eveneens aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €740.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.