Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2014 (zaaknummer 19/2346);
- het jaar 2015 (zaaknummer 19/2347);
- het jaar 2016 (zaaknummer 19/2348).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014, 2015 en 2016. Zij stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na beantwoording van deze vragen heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld het beroep nader te motiveren, maar hierop is geen reactie ontvangen.
De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 het regime van de afdrachtvermindering geldt voor boekjaren vanaf 1 januari 2008. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de dividendbelasting.
Daarom is het beroep ongegrond en bestaat geen recht op teruggaaf of rentevergoeding. Ook is niet gebleken dat de participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.