Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2008 (zaaknummer 17/3115);
- het jaar 2009 (zaaknummer 17/3117);
- het jaar 2010 (zaaknummer 17/3118);
- het jaar 2011 (zaaknummer 17/3119);
- het jaar 2012 (zaaknummer 17/3120).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar waarin verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2008 tot en met 2012 zijn afgewezen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na ontvangst van een verzoek tot nadere motivering heeft belanghebbende niet gereageerd. De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 voor boekjaren vanaf 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering geldt.
De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland. Daarom bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf. De beroepen worden dan ook kennelijk ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.