Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 juli 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot doodslag door met een mes in de rug van het slachtoffer te steken.
De officier van justitie stelde dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had en baseerde dit op verklaringen van verdachte, het slachtoffer en een getuige, evenals medische gegevens. De verdediging voerde aan dat de wond per ongeluk was ontstaan en dat er onvoldoende bewijs was voor bewust steken.
De rechtbank oordeelde dat hoewel vaststaat dat het slachtoffer een steekwond had die door een mes van verdachte is veroorzaakt, niet kon worden vastgesteld dat dit bewust en met kracht is gebeurd. De verklaring van de getuige was onvoldoende betrouwbaar vanwege taalbarrières en het ontbreken van directe waarneming.
De medische gegevens bevestigden de steekwond, maar boden geen aanwijzingen over opzet of kracht. De rechtbank vond het technisch onmogelijkheidsargument van de officier van justitie onvoldoende onderbouwd.
Daarom ontbrak wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde feit en sprak de rechtbank verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de steekwond bewust en met kracht is toegebracht.