Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een ondernemer in de in- en verkoop van gebruikte caravans, betwistte de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2016, alsmede de opgelegde verzuimboete. De inspecteur had uitstel verleend voor het indienen van de aangifte, waarna de aanslagen werden vastgesteld op hogere bedragen dan door belanghebbende opgegeven, mede op basis van een boekenonderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het uitstel rechtsgeldig was verleend, ook al betwistte belanghebbende dat hij of zijn gemachtigde hierom had verzocht. De inspecteur mocht vertrouwen op het uitstelverzoek van de gemachtigde. Vervolgens werd vastgesteld dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de winstmarge hoger was dan door belanghebbende was opgegeven en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor de aftrek van bepaalde kosten en arbeidsbeloning.
Ook de door belanghebbende gestelde aftrek van rente over een lening werd niet geaccepteerd, omdat deze lening als consumptief krediet in box 3 werd aangemerkt. De belastingrente was correct berekend en belanghebbende leverde geen afzonderlijke gronden tegen de rente aan. Ten slotte werd de verzuimboete terecht opgelegd, omdat belanghebbende niet tijdig aangifte had gedaan ondanks herinneringen en aanmaningen. De stelling van een afspraak over latere indiening van de aangifte werd niet bewezen.
De rechtbank concludeerde dat de aanslagen en boete terecht zijn vastgesteld en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen en de verzuimboete worden ongegrond verklaard en de aanslagen en boete gehandhaafd.