Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarin hij een aftrekpost voor specifieke zorgkosten, met name vervoerskosten, hoger wilde laten vaststellen dan door de inspecteur was aangenomen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een aftrek van € 241 voor specifieke zorgkosten, lager dan het bedrag dat bij de aanslag was toegepast. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op een hogere aftrek voor vervoerskosten vanwege meer gemaakte reizen en taxikosten.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om aan te tonen dat hij meer kosten had gemaakt dan reeds door de inspecteur was verwerkt. Het enkele bankafschrift en de overgelegde documenten boden geen overtuigend bewijs van hogere vervoerskosten.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de aanslag ongewijzigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op een hogere aftrek van vervoerskosten in verband met ziekte is ongegrond verklaard.