De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de man om het huwelijk nietig te verklaren op grond van een vermeende stoornis in zijn geestvermogens bij het aangaan van het huwelijk. De man zag echter af van bewijslevering, waardoor niet kon worden vastgesteld dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen. Het verzoek tot nietigverklaring werd daarom afgewezen.
Vervolgens werd het subsidiaire verzoek tot echtscheiding toegewezen, aangezien het huwelijk duurzaam ontwricht was en de vrouw geen verweer voerde tegen de echtscheiding. Beide partijen verzochten om ontbinding van het huwelijk.
De rechtbank beoordeelde ook het verzoek van de man om de huwelijkse voorwaarden nietig te verklaren of te vernietigen wegens bijzondere omstandigheden zoals lichtzinnigheid en een abnormale geestestoestand. De man stelde dat hij bij het aangaan van de voorwaarden psychisch labiel was door medicijn-, alcohol- en drugsgebruik, en dat de vrouw hiervan op de hoogte was. De vrouw betwistte dit en stelde dat partijen bewust kozen voor een algehele gemeenschap van goederen.
De rechtbank concludeerde dat op basis van de beschikbare rapporten en betwistingen niet kon worden vastgesteld dat de man op het moment van ondertekening van de huwelijkse voorwaarden psychisch instabiel was. Ook was onvoldoende bewijs dat de vrouw hiervan op de hoogte was en dat zij de totstandkoming van de voorwaarden heeft bevorderd. De man wordt daarom in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren over zijn psychische gesteldheid en de kennis van de vrouw. De beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.