Uitspraak
[minderjarige], geboren te Goes op [geboortedag] 2017.
de vrouw, voornoemd;
- de man, voornoemd;
- mr. F.C.M. Maat-Oldenhof, advocaat te ’s-Heer Arendskerke, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige.
Stichting Intervence, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg.
1.Het (verdere) procesverloop
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Sambeek en een tolk in de Thaise taal;
- de vader, bijgestaan door mr. Kalle;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling;
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De beoordeling
‘tussen de biologische vader en zijn kind, mits de biologische vader een relatie heeft met de moeder die in voldoende mate met die van een huwelijk op één lijn valt te stellen (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 649).Volgens de Hoge Raad bestaat er ook family-life tussen de biologische vader en het kind, mits er bijkomende omstandigheden zijn, zoals samenleven met dat kind, de verzorging van dat kind of andere nauwe en regelmatige contacten met het kind (HR 10 november 1989, NJ 1990, 628). De heer [naam] heeft hier naar mening van de bijzondere curator (te) weinig voor gesteld. Uit het verzoekschrift blijkt niet meer dan dat de heer [naam] nog regelmatig contact met de vrouw heeft en dat hij dan de minderjarige ook ziet. Er is geen sprake van een verzorgende of verantwoordelijke rol.
een nog nader te plannen mondelinge behandeling medio juni 2021. Ter gelegenheid van die mondelinge behandeling zullen – indien mogelijk - alle (dan nog resterende) verzoeken met betrekking tot de minderjarige gezamenlijk worden behandeld. De rechtbank verzoekt de Raad om tijdig voorafgaand aan die mondelinge behandeling,
uiterlijk op 18 mei 2021, aanvullend te rapporteren en adviseren over de vraag: welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
5.De beslissing
18 mei 2021 pro forma, met het verzoek aan de Raad om alsdan te rapporteren en adviseren;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.