Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 9 september 2020 en alle daarin genoemde stukken.
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 11 december 2020.
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en in reconventie
in conventie,om bij vonnis, voor zover mogelijk
primair
primair:
in reconventie,om bij vonnis, voor zover mogelijk
rimair
4.De beoordeling
weleen vordering heeft op de andere partij in plaats van
geenzoals nu is opgenomen in de samenlevingsovereenkomst. De man stelt zich op het standpunt dat het een en ander moet worden beoordeeld aan de hand van het Haviltex criterium. Daarbij zijn volgens hem de navolgende omstandigheden van belang.
geendoor de notaris onderstreept. Weliswaar heeft de man zich op het standpunt gesteld dat partijen een andere bedoeling hadden, met name gelet op de e-mail van de notaris van 16 april 2012, maar dit is gelet op de betwisting door de vrouw en de door haar als productie 1 overgelegde e-mail van 2 januari 2013 niet komen vast te staan. In de e-mail van 16 april 2012 wordt gesproken over
“Inbreng eigen middelen van de zijde van [man] , specifiek bedrag?”maar daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dat partijen het erover eens waren dat er zonder meer sprake zou zijn van vergoeding van de eigen inbreng door de man, nog daargelaten de vraag of deze inbreng dan enkel zag op aankoop of latere investeringen. Daarentegen blijkt uit de bewoordingen
“ Als we uit elkaar gaan dan is de helft van [man] en de helft van [vrouw] ook de eigen inbreng van [man] wordt gesplitst” in de e-mail van 2 januari 2013, ruim een half jaar later, onder het kopje “
[adres2] , [woonplaats2] ”voldoende van een afspraak tussen partijen die is overgenomen in de samenlevingsovereenkomst. Dat de man van deze mail geen weet zou hebben is enkel gesteld maar niet onderbouwd. Bovendien rust op de notaris de zorgplicht om bij het tekenen van een notariële akte zich ervan te vergewissen dat alle bij de te tekenen overeenkomst betrokken partijen zich bewust zijn van de inhoud van de daarin opgenomen afspraken en dat zij daarmee instemmen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de tekst van artikel 7 lid 2 niet Pro in complexe bewoordingen is geformuleerd, zodat van de man verwacht mocht worden dat hij de inhoud hiervan kon begrijpen.