ECLI:NL:RBZWB:2021:1349
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens onttrekking woonruimte zonder vergunning
Eiser huurde sinds 1999 een woning die in 2019 werd aangetroffen met een hennepkwekerij, waardoor het college een bestuurlijke boete oplegde wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte. Na bezwaar werd de boete verlaagd van €4.000,- naar €1.894,18 vanwege verminderde verwijtbaarheid en draagkracht.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser als overtreder kon worden aangemerkt, aangezien hij ten tijde van de overtreding feitelijk niet in de woning woonde en stelde de woning in 2003 aan een derde te hebben overgedragen. De rechtbank oordeelde dat het college terecht aannam dat eiser nog steeds huurder was, omdat het huurcontract en het energiecontract op zijn naam stonden en er huurbetalingen door of namens hem werden gedaan.
De rechtbank stelde dat het aan eiser was om het vermoeden van huurderschap te ontzenuwen, wat niet was gelukt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit met de boete van €1.894,18 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank handhaaft de bestuurlijke boete van €1.894,18 aan eiser wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte.