Eisers hebben beroep ingesteld tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Hulst betreffende de omgevingsvergunning voor de bouw van een radartoren met publieksfunctie. Het eerste besluit (20 juni 2017) is buiten de beroepstermijn aangevochten, maar dit werd verschoonbaar geacht vanwege onduidelijke informatie over de terinzagelegging. Het tweede besluit (28 februari 2019) verving het eerste en verleende een gewijzigde vergunning.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk zijn omdat het besluit is herroepen en eisers geen belang meer hebben. Voor het tweede besluit verklaart de rechtbank de beroepen gegrond wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft nagelaten de vergunning te toetsen aan de op dat moment geldende Omgevingsverordening Zeeland 2018, de Wet natuurbescherming en het relevante beheerplan. Ook is onvoldoende inzicht gegeven in de verkeersaantrekkende werking van de publieksfunctie en de impact van de verlichting.
Daarnaast is de afwijking van het negatieve welstandsadvies onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank stelt dat de gemeenteraad weliswaar zelfstandig heeft besloten, maar de motivering om af te wijken van het advies onvoldoende zwaarwegend is, mede gelet op het eigen terughoudende beleid van verweerder. De rechtbank vernietigt het tweede besluit voor zover het betreft de ruimtelijke onderbouwing en de afwijking van het welstandsadvies en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet griffierecht vergoeden.