Eiser vroeg op 20 mei 2019 een bijstandsuitkering aan naar de norm voor daklozen, maar het college van burgemeester en wethouders van Breda wees de aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen waar hij verbleef. Het college baseerde dit op informatie van de daklozenopvang waaruit bleek dat eiser daar niet meer verbleef.
Eiser kreeg meerdere gesprekken aangeboden om zijn woon- en verblijfsituatie toe te lichten, maar verliet deze voortijdig en gaf geen concrete informatie. Hij stelde dat hij niet voldoende gelegenheid had gekregen en dat een hersteltermijn had moeten worden geboden, wat de rechtbank niet volgde. Het college had juist twee persoonlijke gesprekken georganiseerd vanwege zijn dakloosheid, waarvan het tweede gesprek als hersteltermijn kon worden gezien.
Verder betwistte eiser het ontvangen van een voorschot van € 70,-, maar het college toonde dit aan met een transactieoverzicht. De rechtbank concludeerde dat het college voldoende had gedaan om de situatie te onderzoeken en dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.