Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlasteleggingen
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
een gevangenisstraf van zes maanden.
9.Bijlage I
10.Bijlage II
Ik kreeg dan de opdracht van [medeverdachte 3] om bij haar langs te komen en kreeg daar brieven van [verdachte] te lezen waar dan een opdracht voor mij in stond.
Zij waren op de hoogte van de opdracht die ik via een brief had gekregen op [naam 1] te benaderen en geld te bieden om hem te beïnvloeden.
[medeverdachte 2] nam handgeschreven brieven van [verdachte] mee uit de gevangenis.
Ik weet dat mijn vader brieven schreef met opdrachten. Ik hoorde dan van [medeverdachte 1] “ik heb een brief gehad en moet dat en dat doen”. [medeverdachte 1] kreeg die brieven via mijn moeder.
zegt dat hij [verdachte] wil spreken en morgenmiddag naar [verdachte] toekomt.
[verdachte] zegt dat hij wil dat [medeverdachte 2] zo dadelijk naar haar thuis komt.
[verdachte] zegt nog dat zij [medeverdachte 2] nog moet bellen en [medeverdachte 2] bij hun thuis moet zien.
(waarvan de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 171 begrijpt dat dit 28 februari 2017 moet zijn)inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Laat Wim zijn waardevolle spullen bij zijn zoon [naam 9] op zolder zetten”.
Nou niet sporadisch, maar niet iedere keer als ik bij [verdachte] geweest was. Maar ik kwam er nadat hij had binnen en smeken om langs zijn ouders en zijn vrouw te gaan.
Ik heb de brief gelezen die [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] heeft gekregen. Dat was voor de kerst 2016. In die brief stond dat iemand van mijn familie met de Pet hadden gepraat.
[medeverdachte 1] zei dat ik voor [verdachte] iets wilde verklaren. Ik ging daar niet op in. Ik ga geen leugens vertellen. Ik wilde dat niet. Het is voor mij zeker nogal een bedrag wat ze aanboden.
heeft mij gebeld. [medeverdachte 3] is bij mij geweest. [medeverdachte 3] liet me toen de verklaring van [medeverdachte 1] aan mij zien. Ze was wat nerveus. [verdachte] belde [medeverdachte 3] . Zij gaf de telefoon aan mij. Ik had al lang niet gezien. Mijn gezin en kinderen kwamen of waren binnen, ook mijn schoonouders. Die waren allemaal verbaasd dat zij er was. Waar [medeverdachte 3] in het telefoongesprek zegt “we hebben het” dan bedoelt ze de verklaring van [medeverdachte 1] , die kon ze niet vinden. Ik schrok toen ze voor mijn deur stond. Ze zei ik heb iets dat je moet lezen.
[medeverdachte 3] zei dat [naam 2] een verklaring moest lezen. Ze hadden een verklaring met foto’s bij van [medeverdachte 1] . [naam 2] had de verklaring gelezen. U zegt dat [medeverdachte 3] tegen [verdachte] aan de telefoon zei “we hebben het”. Ze bedoelde hiermee de verklaringen. Het zat mij dwars dat ze kwamen. Ze zaten in het nauw denk ik. [naam 2] sprak toen met [verdachte] aan de telefoon.