ECLI:NL:RBZWB:2020:4913

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 oktober 2020
Publicatiedatum
9 oktober 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1991
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid college inzake intrekking verzoek deelname Generatiepact

Eiseres, werkzaam bij de gemeente Hulst, vroeg op 24 mei 2018 om gebruik te mogen maken van het Generatiepact. Dit verzoek werd op 4 september 2018 positief beslist door het college, terwijl eiseres haar verzoek op 1 september 2018 had ingetrokken. Het college verklaarde het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond, waarna eiseres beroep instelde.

De rechtbank beoordeelt of het college bevoegd was om te beslissen op het ingetrokken verzoek. Daarbij overweegt zij dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep intrekking van een ontslagverzoek vóór het besluit leidt tot het vervallen van de grondslag voor dat besluit, tenzij er een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Het college stelde dat een mondelinge vaststellingsovereenkomst was gesloten, maar de rechtbank oordeelt dat hiervan geen bewijs is geleverd.

De rechtbank concludeert dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het ingetrokken verzoek en verklaart het beroep gegrond. Het primaire besluit wordt herroepen en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen omdat het college niet bevoegd was te beslissen op het ingetrokken verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/1991 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. W.Y. Yeh,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder,

gemachtigde: mr. B.F.Th. de Moor.

Procesverloop

In het besluit van 4 september 2018 (primaire besluit) heeft het college een positief besluit genomen op het verzoek van eiseres om gebruik te mogen maken van het zogenoemde Generatiepact.
In het besluit van 21 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Haar verzoek om voorlopige voorziening is in een uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2019 (zaaknummer BRE 19/1989 AW VV) afgewezen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 september 2020. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar echtgenoot [naam partner eiseres] , haar gemachtigde, en namens het college zijn gemachtigde en [naam vertegenwoordiger college] .

Overwegingen

De feiten
1. In de gemeente Hulst geldt sinds 1 januari 2017 de ‘Regeling generatiepact gemeente Hulst 2017-2020’ (Generatiepact). Die regeling gaat over de ontwikkeling van personeel en organisatie en is er op gericht dat zo goed mogelijk wordt omgegaan met enerzijds het aantrekken van jonge medewerkers en anderzijds het goed benutten van oudere medewerkers.
2. Eiseres is in een voltijdsaanstelling werkzaam geweest in dienst van de gemeente Hulst als juridisch kwaliteitsmedewerker. Zij is vanaf 23 juni 2016 arbeidsongeschikt geweest. Met het oog op het bereiken van de maximale wachttijd in het kader van de WIA hebben partijen, in samenspraak met de bedrijfsarts, overleg gevoerd over de voortzetting van de aanstelling en de omvang daarvan.
Daar is uit voortgekomen dat, op verzoek van partijen, het UWV in een beslissing van 10 april 2018 de loondoorbetalingsverplichting heeft verlengd tot 24 september 2018.
Eiseres heeft op 24 mei 2018 het college gevraagd om vanaf 1 januari 2019 gebruik te mogen maken van het Generatiepact.
De bedrijfsarts heeft eiseres vanaf 23 juli 2018 volledig arbeidsongeschikt verklaard voor haar eigen werkzaamheden, en eiseres heeft zich op die datum hersteld gemeld.
Eiseres heeft op 23 augustus 2018 gevraagd om de beslissing op haar verzoek om gebruik te mogen maken van het Generatiepact op te schorten. In een brief van 1 september 2018 heeft eiseres het verzoek om gebruik te mogen maken van het Generatiepact ingetrokken. Die brief is op 3 september 2018 op het gemeentehuis ontvangen.
In het primaire besluit, dus op 4 september 2018, heeft het college het (oorspronkelijke) verzoek van eiseres om gebruik te maken van het Generatiepact ingewilligd en bepaald dat die deelname ingaat op 1 januari 2019.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen (onder meer, en voor zover in deze procedure relevant) het primaire besluit. De Commissie bezwaarschriften personele aangelegenheden van de gemeente Hulst (Commissie bezwaarschriften) heeft het college geadviseerd het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren.
In afwijking van dat advies heeft het college in het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
Het geschil
2. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat in deze procedure aan de salarisstrook, die in de bezwaarprocedure ook onderwerp van geschil was, geen zelfstandige betekenis toekomt. Wat daar in beroep over is aangevoerd zal de rechtbank daarom niet bespreken.
Het te beoordelen geschil betreft de vraag of het college bevoegd was het verzoek van eiseres om deelname aan het Generatiepact in te willigen.
De beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat het college haar verzoek om toepassing van het Generatiepact pas heeft goedgekeurd nadat dat verzoek was ingetrokken. Beslissen op dat verzoek was toen niet meer mogelijk. Gevraagd is om het beroep gegrond te verklaren en het Generatiepact per 1 januari 2019 buiten toepassing te verklaren, alsmede de salarisbetaling per die datum te hervatten voor 100%.
De beoordeling door de rechtbank
4. Naar het oordeel van de rechtbank komt bij de beoordeling van het beroep betekenis toe aan de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de intrekking van een door een ambtenaar gedaan ontslagverzoek, zoals de uitspraak van 2 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3536). Die rechtspraak houdt in dat de bekendmaking van die intrekking aan het bevoegd gezag vóórdat het ontslagbesluit is genomen er toe leidt dat de grondslag aan een ontslag op verzoek is komen te ontvallen.
Maar uit de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:912), blijkt dat dit anders is als de ambtenaar een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband is aangegaan die tevens een verzoek tot het verlenen van ontslag inhoudt. In dat geval is de ambtenaar gebonden aan de afspraak en kan de ambtenaar niet meer zonder toestemming van het bestuursorgaan het ontslagverzoek intrekken.
Volgens eveneens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 13 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812), worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt.
5. Volgens het college zijn over de beëindiging van het dienstverband afspraken gemaakt in een (mondelinge) vaststellingsovereenkomst. Die overeenkomst omvatte, volgens het college, in ieder geval voortzetting van de loonbetaling gedurende drie maanden, het afzien van het indienen van een WIA-aanvraag, hersteldmelding en een aanvraag om deelname aan het Generatiepact. Die vaststellingsovereenkomst is volgens het college niet op papier gezet omdat er geen geschil was.
Met het oog op die vaststellingovereenkomst meent het college dat eiseres met haar brief van 1 september 2018 niet kon bereiken dat zij niet meer gebonden is aan de aanvraag om deelname aan het Generatiepact.
6. Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, en zij vindt daarvoor steun in het advies van de Commissie bezwaarschriften. De Commissie heeft, met verwijzing naar artikel 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek, overwogen dat een overeenkomst pas tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan en dat in deze zaak niet duidelijk is welk concreet aanbod het college aan eiseres heeft gedaan, noch dat (en zo ja: wanneer) eiseres dat aanbod zou hebben aanvaard.
7. De rechtbank deelt het oordeel van de Commissie bezwaarschriften dat niet is gebleken van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Aannemelijk is weliswaar dat partijen met elkaar hebben gesproken over de kwesties die volgens het college deel uitmaakten van een beoogde vaststellingsovereenkomst, maar uit de stukken blijkt niet of onvoldoende dat partijen daarover met elkaar samenhangende afspraken hebben gemaakt die zijn aan te merken als een vaststellingsovereenkomst.
8. De rechtbank concludeert dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het (ingetrokken) verzoek om deelname aan het Generatiepact.
9. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dat betekent dat de aanstelling van eiseres op 1 januari 2019 geen wijziging heeft ondervonden, althans niet door deelname aan het Generatiepact.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.100,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).
Het college wordt voorts veroordeeld om de reiskosten van eiseres te vergoeden, berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer. De rechtbank stelt die kosten vast op € 20,36 (2 x € 10,18).
De overige door eiseres genoemde kosten, te weten de reiskosten van haar gemachtigde, hoeft het college niet te vergoeden omdat vergoeding van die kosten geacht wordt begrepen te zijn in de veroordeling in de kosten van rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.120,36.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 8 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.