ECLI:NL:RBZWB:2020:4159

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 september 2020
Publicatiedatum
3 september 2020
Zaaknummer
AWB- 19_6747
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 ZWArt. 30a ZWArt. 33 ZWArt. 45 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering Ziektewetuitkering ondanks beperking eiseres

Eiseres ontving een Ziektewetuitkering die het UWV later terugvorderde wegens onverschuldigde betaling over de periode 1 juli 2019 tot en met 31 juli 2019. Eiseres stelde dat zij vanwege een beperking niet had kunnen weten dat zij te veel ontving en verzocht om kwijtschelding van de terugvordering.

De rechtbank constateerde dat het UWV meerdere besluiten had genomen en dat de communicatie voor eiseres moeilijk te volgen was. Echter, een duidelijke brief van 11 juni 2019 maakte ondubbelzinnig duidelijk dat eiseres vanaf 1 juli 2019 geen recht meer had op de uitkering. Eiseres had het UWV niet geïnformeerd over een bezwaar tegen deze brief.

Op grond van artikel 33 van Pro de Ziektewet is het UWV verplicht onverschuldigde betalingen terug te vorderen, tenzij dringende redenen tot kwijtschelding aanwezig zijn. De rechtbank oordeelde dat dergelijke dringende redenen, zoals onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen, niet waren gesteld of gebleken.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.L. Sierkstra op 1 september 2020 en is openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/6747 ZW

uitspraak van 1 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] (eiseres), wonende te [naam woonplaats]

gemachtigde: [naam gemachtigde] , de zorgverlener van eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft het UWV van eiseres een bedrag van € 362,79 teruggevorderd aan teveel uitbetaalde Ziektewetuitkering over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 juli 2019.
In het besluit van 5 december 2019 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 21 juli 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en namens het UWV was aanwezig
mr. M.B.A. van Grinsven.

OverwegingenFeiten en omstandigheden1.Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft zich per 20 maart 2019 ziekgemeld bij zowel haar werkgever als het UWV. Het UWV heeft naar aanleiding hiervan bij besluiten van 8 mei 2019 en 24 mei 2019
ZW-uitkeringen aan haar toegekend per 1 april 2019, respectievelijk 13 mei 2019.
In het primaire besluit heeft het UWV van eiseres een bedrag van € 362,79 teruggevorderd met als reden dat zij vanaf 1 juli 2019 inkomsten heeft uit arbeid, die ten onrechte niet zijn gekort op haar ZW-uitkering.
In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, nu met een andere reden, namelijk dat haar ZW-uitkering over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 op 7 augustus 2019 bij vergissing voor een tweede keer is overgemaakt, waardoor zij ten onrechte een bedrag van € 362,79 teveel heeft ontvangen.
Standpunt eiseres
2. Eiseres stelt dat zij niet had kunnen weten dat zij teveel ziekengeld ontving, omdat bij haar sprake is van een beperking. Volgens haar had het UWV het teruggevorderde bedrag daarom moeten kwijtschelden.
Wettelijk kader
3. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV teruggevorderd.
Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat het UWV, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat zij kan volgen dat eiseres niet alle brieven van het UWV heeft begrepen. Het UWV heeft twee afzonderlijke besluiten genomen waarbij aan haar ZW-uitkeringen zijn toegekend, en heeft vervolgens ook nog eens verschillende kortingsbesluiten genomen. Dit maakt het – zoals ook ter zitting erkend door het UWV – moeilijk voor eiseres om alle beslissingen van het UWV over haar aanspraken op ziekengeld goed te kunnen volgen.
5. De brief van het UWV van 11 juni 2019 aan eiseres is echter wel heel duidelijk. Deze brief luidt -voor zover thans van belang- als volgt:
“Geachte mevrouw [naam eiseres] , U ontvangt op dit moment een Ziektewet-uitkering. Op 11 juni 2019 heeft u een gesprek met mij gehad over uw mogelijkheden om te werken. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat u vanaf 1 juli 2019 weer arbeidsgeschikt bent.U krijgt vanaf deze datum dus geen Ziektewet-uitkering meer.”. Het door de rechtbank onderstreepte gedeelte van de brief is niet voor misverstand vatbaar. Eiseres had vanaf 1 juli 2019 geen recht meer op ZW-uitkering. Gesteld noch gebleken is dat eiseres het UWV heeft laten weten dat zij het met deze brief niet eens was. Eiseres was ook niet aanwezig op de zitting om hierover meer informatie te geven en de gemachtigde van eiseres kon hier ook niets over zeggen.
6. Gelet op de brief van 11 juni 2019 had eiseres kunnen weten dat zij ten onrechte ziekengeld ontving in de periode na 1 juli 2019. Het gaat daarbij overigens niet alleen om het in het bestreden besluit teruggevorderde bedrag, maar ook om de andere ZW-betalingen die het UWV heeft gedaan aan eiseres na 1 juli 2019. Vanuit dat oogpunt is eiseres zeker niet benadeeld door het UWV dat de terugvordering beperkt heeft tot het bedrag van
€ 362,79.
7. Nu het UWV op grond van artikel 33 van Pro de ZW verplicht is om de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, heeft het UWV geen ruimte om daarbij een individuele belangenafweging te maken. Alleen indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in ZW-zaken, de Centrale Raad van Beroep, kan een dringende reden slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft (zie bijvoorbeeld recent nog de uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1710). Dergelijke gevolgen zijn niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken.
Conclusie
8. Het bovenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Voor een proceskostenvergoeding is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 1 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.