Eiseres, werkzaam als helpende thuiszorg, meldde zich op 7 januari 2019 ziek met klachten aan voet, rug en lies. Het UWV kende haar vanaf die datum een Ziektewet-uitkering toe en verklaarde haar per 26 april 2019 weer geschikt voor haar eigen werk, waarna de uitkering werd beëindigd. Eiseres maakte bezwaar tegen de hersteldverklaring en het beëindigingsbesluit, stellende dat zij door haar klachten en zwangerschap niet in staat was haar werk te verrichten.
De rechtbank oordeelt dat de hersteldverklaring zelf geen besluit is en dus niet ontvankelijk is in bezwaar, maar dat het besluit van 24 september 2019 tot beëindiging van de uitkering wel een besluit is waartegen beroep mogelijk is. Partijen stemden in met rechtstreeks beroep, waardoor het beroep inhoudelijk werd behandeld.
Medisch onderzoek door een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) wees uit dat eiseres niet arbeidsongeschikt was voor haar functie. De artsen hielden rekening met haar klachten en zwangerschap en concludeerden dat de belasting van het werk haar belastbaarheid niet overschrijdt. De rechtbank acht het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd. Het verzoek van eiseres om een deskundige in te schakelen werd afgewezen omdat het medisch dossier voldoende informatie bevatte en er geen aanwijzingen waren dat zij belemmeringen ondervond bij het overleggen van medische stukken.
De rechtbank concludeert dat het UWV het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering op goede gronden heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.