Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
,verweerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser diende op 12 juli 2018 een aanvraag in bij het UWV voor een Ziektewet-uitkering, welke op 12 september 2019 schriftelijk werd bevestigd. Het UWV besloot op 13 november 2019 de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens onvoldoende informatie, maar kon niet aantonen dat dit besluit tijdig was verzonden. Hierdoor was het besluit pas op 10 februari 2020 aan eiser bekendgemaakt.
Eiser stelde op 16 januari 2020 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, maar dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen, waardoor het beroep op dat punt niet-ontvankelijk werd verklaard. Wel werd het beroep gegrond verklaard voor zover het ging om het vernietigen van de dwangsombeschikking van 10 februari 2020 en het vaststellen van de verbeurde dwangsom.
De rechtbank stelde vast dat het UWV vanaf 9 november 2019 tot en met 10 februari 2020 in gebreke was en veroordeelde het UWV tot betaling van een dwangsom van €1.442,-. Tevens werd het UWV opgedragen het door eiser betaalde griffierecht van €48,- te vergoeden en werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van €262,50. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit werd verwezen naar het UWV ter behandeling als bezwaar.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, de dwangsombeschikking vernietigd en de dwangsom vastgesteld op €1.442,-.