Belanghebbende exploiteert een grillroom/pizzeria en voerde tot juni 2012 een eenmanszaak, waarna een vennootschap onder firma werd opgericht. De inspecteur startte in 2016 een onderzoek naar de omzetbelasting over 2012-2014 vanwege vermoedens van onjuiste aangiften.
Tijdens het onderzoek bleek de administratie van belanghebbende ernstige tekortkomingen te vertonen, zoals het ontbreken van kasstroomoverzichten, Z-afslagen en voorraadadministratie. Op grond hiervan werd een informatiebeschikking uitgevaardigd die onherroepelijk werd. De inspecteur stelde naheffingsaanslagen op basis van een theoretische omzetberekening, waarbij rekening werd gehouden met diverse omstandigheden zoals privégebruik en afval.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslagen, maar slaagde er niet in de aanslagen onjuist te bewijzen. De rechtbank oordeelde dat de omkering van de bewijslast gerechtvaardigd was en de schatting van de inspecteur redelijk. Wel werd de aanslag over 2012 met 25% verminderd omdat deze aanslag ten onrechte over het hele jaar was berekend.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en wees een deel van de naheffingsaanslag en belastingrente 2012 toe, terwijl de aanslagen voor 2013 en 2014 werden bevestigd. Het beroep werd daarmee deels gegrond verklaard.