Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- het proces-verbaal van de regiezitting van 18 april 2019 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, belast met de behandeling van de hierna te noemen strafzaak, tijdens welke regiezitting het verzoek tot wraking is gedaan;
- de op 21 mei 2019 ingekomen schriftelijke reactie van de voorzitter van die strafkamer, welke mede is ingediend namens de overige leden van die strafkamer;
- de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak;
- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 29 mei 2019, waarbij aanwezig waren: de voorzitter van genoemde strafkamer, de raadsman van verzoeker en de officier van justitie, mr. Bezem;
- de email van verzoeker van 28 mei 2019, waarin hij een aanhoudingsverzoek doet, maar ook zijn wrakingsgrond nader onderbouwt.
2.Het verzoek
3.Feiten
4.Het standpunt van verzoeker
- zij de door de verdediging aangedragen getuigen, te weten tien reeds gehoorde getuigen en vier “nieuwe” getuigen (hierna tezamen: de getuigen), niet hebben willen horen, zonder de verdediging in staat te stellen het verzoek tot het horen van de getuigen nader te onderbouwen;
- zij hebben meegedeeld dat zij niet gebonden zijn aan de opmerkingen van de rechter-commissaris over het horen van de getuigen, omdat de rechter-commissaris daarover niet beslist;
- zij zelf een fout hebben gemaakt door te zeggen dat sprake is van een misverstand van hun kant en zij weigeren dit op te lossen of te herstellen;
- zij zo lang hebben gedaan over het behandelen van de strafzaak, dat de Hoge Raad intussen heeft kunnen oordelen dat een rechtbank niet gebonden is aan beslissingen van een andere rechtbank in dezelfde zaak.
5.Het standpunt van de strafrechters
- met een korte reactie wordt volstaan, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad over wrakingen na het afwijzen van onderzoekswensen;
- het bestaan van een verdedigingsbelang bij het horen van de getuigen door de verdediging onvoldoende is onderbouwd, terwijl de verdediging daartoe ampel in de gelegenheid is gesteld;
- de verdediging geen vertrouwen kan ontlenen aan mededelingen van de rechter-commissaris over het horen van getuigen omdat de rechter-commissaris daarover niet beslist.
6.Het standpunt van de officier van justitie
- sprake was van een regie-zitting en dat een regie-zitting onder meer dient om onderzoekswensen naar voren te brengen;
- uit het proces-verbaal van de zitting van 18 april 2019 kan worden opgemaakt dat de rechtbank wel degelijk heeft gevraagd om een motivering van het verzoek om getuigen te horen en dat dit voor zowel verzoeker als het Openbaar Ministerie duidelijk was.
7.De beoordeling
8.Beslissing
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer: [zaaknummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.