Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
(…)
(…)
(…) Wij stemmennietin met beëindiging. Er is weliswaar sprake van een
5.De beslissing
12 december 2018.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak staat de opzegging van een huurovereenkomst van een perceel grond met daarop een tankstation centraal. De verhuurder heeft de huurovereenkomst opgezegd met een opzegtermijn van een jaar, terwijl de huurder de overeenkomst wenst voort te zetten en betoogt dat het huurregime van bedrijfsruimte van toepassing is. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van huur van onbebouwde grond, waardoor de huurder niet de bescherming van artikel 7:290 BW Pro geniet.
De huurovereenkomst werd in 1993 en later in 2001 gesloten tussen rechtsvoorgangers van partijen. De huurovereenkomst bevat bepalingen dat de huurder eigenaar blijft van bepaalde onderdelen van het tankstation, zoals de fuel pos, elektronische pompen en luifel. De verhuurder heeft de overeenkomst opgezegd per 31 december 2018, waarna hij een nieuwe huurovereenkomst met een derde sloot.
De kantonrechter wijst de vordering van de verhuurder tot ontruiming toe, met een ontruimingstermijn tot 1 april 2019. De huurder mag de genoemde onderdelen verwijderen op grond van een gedeeltelijk wegbreekrecht. De vordering tot verbod op sloop van het gehele tankstation wordt afgewezen voor die onderdelen. De vordering van de huurder tot schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging wordt afgewezen, omdat de opzegging niet in strijd is met redelijkheid en billijkheid. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd, huurder moet ontruimen uiterlijk 1 april 2019 met behoud van wegbreekrecht op specifieke onderdelen.