Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 9 oktober 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam B.V. 1] , te [naam woonplaats 1] ,
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
www.transport-online.nlen
www.truckstart.nlmaken dit volgens de minister niet anders. Hieruit blijkt onvoldoende dat openbaarmaking een stigmatiserend effect zal hebben of dat de FNV op onverantwoorde wijze of voor belanghebbenden schadelijke wijze zal omgaan met boeterapporten die openbaar gemaakt worden. Ten overvloede stelt de minister dat hij het belangrijk vindt dat ook in de gevallen waarin de bevindingen uit een boeterapport niet opgevolgd worden of besluiten worden herroepen, hij vanuit een oogpunt van een goede en democratische bestuursvoering verantwoording aflegt over de wijze waarop hij uitvoering geeft aan zijn bevoegdheden. In die gevallen moet het dan wel voor de gemiddelde lezer duidelijk zijn dat de informatie een momentopname is, die (deels) door de feiten is achterhaald. Dat blijkt volgens de minister voldoende uit dit besluit.
sanctiebesluitenop grond van de Wob uitgangspunt is, tenzij publicatie betrokkene in verhouding tot het te dienen algemeen belang onevenredig zou benadelen. Van een dergelijke onevenredige benadeling kan sprake zijn als de boete uiteindelijk in rechte geen stand houdt en betrokkene ten onrechte publiekelijk als overtreder is afgeschilderd. Of sprake is van onevenredige benadeling hangt af van een oordeel over de rechtmatigheid van het boetebesluit. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3468, en de conclusie van staatsraad Van Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op (gedeeltelijke)
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.