Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 12 juli 2018 van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[eiser1A] , te [woonplaats] ,
[eiser2A] , te [woonplaats] ,
[eiser3A] , te [woonplaats] ,
[eiser4A] en [eiser4B] , te [woonplaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
onverbindendmoet worden verklaard. Als gevolg hiervan komt de rechtbank toe aan een exceptieve toetsing van het Antennebeleid.
in strijd is met het Antennebeleid.
alternatievenoverweegt de rechtbank als volgt.
gezondheidsrisico’svan de voorziene antennemast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de AbRS van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2518. Daarin heeft de AbRS overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport "Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008" van maart 2009 heeft vermeld dat volgens de commissie Elektromagnetische velden er geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. Verder is in deze uitspraak verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9796, waarin een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening opgesteld deskundigenbericht wordt genoemd. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Bij deze onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken. Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door het sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum. De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgsbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden. De AbRS ziet in de overgelegde stukken en hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een bestuursorgaan het voormelde standpunt van de Gezondheidsraad niet in redelijkheid aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat de Gezondheidsraad te kennen heeft gegeven dat er bij radiofrequente elektromagnetische velden geen reden is het ALARA-principe niet toe te passen, laat onverlet dat de Gezondheidsraad zijn standpunt over de gevolgen van deze straling, zoals hiervoor weergegeven, niet heeft gewijzigd. Bovendien is volgens de AbRS niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is.
Beslissing
- verklaart de beroepen van eisers 1, eisers 2 en eisers 4 ongegrond;
- verklaart het beroep van eisers 3 gegrond;
- vernietigt bestreden besluit III, voor zover daarbij het bezwaar van [eiser3H] ontvankelijk is verklaard en het bezwaar van [eiser3F] niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar van [eiser3H] tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk en het bezwaar van [eiser3F] tegen het primaire besluit ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit III;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers 3 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 3 tot een bedrag van € 1.002,-.