Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 20 november 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
de minister van Economische Zaken, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Geschil
Ontvankelijkheid
Overeenkomst of Regeling
- indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van Pro het BBRA ‘84, waarop de medewerker in de op 31 december 2011 voor hem geldende salarisschaal uitzicht heeft, een algemene (sectorale) salarisverhoging, een verhoging van het salaris op grond van artikel 8 BBRA Pro ’84 en een periodieke toeslag op grond van artikel 22a van het BBRA ’84;
- indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van Pro het BBRA ’84, gevolgd op een bevordering van de medewerker op grond van artikel 5 van Pro het BBRA ‘84, voor zover daarmee het maximum van de op 31 december 2011 geldende salarisschaal niet wordt overschreden.
Rechtsgevolgen
Griffierecht en proceskosten
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.