ECLI:NL:RBZWB:2017:5102
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag voor 32 uur per week en weigering reiskostenvergoeding bevestigd door rechtbank
Eiser maakte bezwaar tegen zijn ontslag voor 32 uur per week en tegen de weigering van volledige vergoeding van reiskosten gemaakt in verband met zijn studie. Hij stelde dat het ontslag had moeten gelden voor 38 uur per week en dat een uitzondering op de declaratievervaltermijn van drie maanden gemaakt moest worden vanwege zijn PTSS.
De rechtbank oordeelde dat het ontslagbesluit bevoegd was genomen door de korpschef, ondanks dat het primaire besluit door een sectorhoofd was genomen. De feitelijke arbeidsduur van eiser was 32 uur per week, en het niet aanvragen van wijziging naar 38 uur betekende niet dat het ontslag voor meer uren moest gelden.
Ten aanzien van de reiskostenvergoeding stelde de rechtbank vast dat eiser de declaraties niet binnen de gestelde termijn had ingediend en dat zijn PTSS onvoldoende aannemelijk maakte dat hem geen verwijt kon worden gemaakt. De korpschef had uit coulance een deel van de kosten vergoed, waardoor eiser niet benadeeld werd.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De beroepen tegen het ontslag voor 32 uur per week en de weigering tot volledige vergoeding van reiskosten worden ongegrond verklaard.