ECLI:NL:RBZWB:2017:4096
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak inzake intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd en inreisverbod
Eiser, houder van de Turkse nationaliteit, is bij besluit van 29 oktober 2015 zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 18 november 2009 vanwege een veroordeling tot een gevangenisstraf van acht jaar. Tevens werd een inreisverbod van tien jaar opgelegd, dat later deels werd opgeheven.
De kern van het geschil betreft de vraag vanaf welke datum eiser rechtmatig in Nederland verbleef, hetgeen bepalend is voor de toepasselijkheid van de intrekkingsgrond op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelt dat hij sinds 5 september 1984 rechtmatig verblijf had, terwijl verweerder stelt dat dit pas vanaf 2 juli 1996 het geval was.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet aan zijn bewijslast heeft voldaan om aannemelijk te maken dat eiser pas vanaf 2 juli 1996 rechtmatig verblijf genoot. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom eerdere verblijfstijd niet als rechtmatig kan worden aangemerkt. Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank heropent het onderzoek en stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken het gebrek te herstellen door nader onderzoek en motivering. Tevens wordt verweerder opgedragen binnen twee weken te melden of hij van deze gelegenheid gebruik maakt. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in het besluit over rechtmatig verblijf binnen vier weken te herstellen.