Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.DE MAATSCHAP [gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 6],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 8 maart 2017 met de daarin vermelde stukken,
- de bij brief van 5 april 2017 van de zijde van TTA in het geding gebrachte producties, genummerd 21 en 24,
- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 20 april 2017.
2.Het geschil
3.De beoordeling
9 augustus 2012 jegens de vennootschap naar Duits recht ABN AMRO Commercial Finance GmbH (hierna: ABN) gestelde bijzondere borgtocht naar Duits recht (de zogeheten Selbstschuldnerische Höchtsbetragsbürgschaft, hierna: de borgtocht) ten gunste van de vennootschap naar Duits recht APC GmbH (hierna: APC). APC was in augustus 2012 partij geworden bij een zogenaamde ‘factoringovereenkomst’ met ABN AMRO. TTA hield op dat moment de aandelen in APC. Het maximale bedrag waarvoor TTA uit hoofde van deze borgtocht aangesproken kon worden bedroeg € 200.000,--.
e-mailbericht van 14 maart 2014 een advies met betrekking tot de bodemprocedure aan [gedaagde sub 6] en [naam bestuurder] .
“(…) Ik heb de indruk, dat of ik mij niet duidelijk genoeg kan uitdrukken of de heer [naam bestuurder] mij simpelweg niet wil begrijpen. In ieder geval moeten wij hier nu eens bespreken, welke wij gaan bewandelen. Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij hierover een telefonisch te contacteren.(…)”
1 januari 2015, is een rekening-courantschuld van [naam bestuurder] aan TTA omgezet in een lening ter grootte van € 108.700,--.
e-mailbericht dateert van vóór de totstandkoming van de opdracht in kwestie d.d. 18 maart 2014. Hieraan kan derhalve niet de door TTA gewenste conclusie worden verbonden.
redelijkerwijze op of omstreeks 13 augustus 2015 moeten ontdekken. Daarnaast betoogt [gedaagde sub 6] dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hem door het niet tijdig klagen door TTA de mogelijkheid is ontnomen om de gevolgen van de vermeende beroepsfouten te herstellen, bijvoorbeeld door zich te voegen in het hoger beroep van het vonnis van 8 april 2015. Op het moment dat TTA bij [gedaagde sub 6] protesteerde, had TTA een schikking met ABN getroffen, als gevolg waarvan de hoger beroepsprocedure is doorgehaald. Voormeld tijdsverloop in combinatie met de schending van de belangen van [gedaagde sub 6] maakt dat TTA niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW Pro, aldus [gedaagde sub 6] .
2 december 2015 in vrijwaring is opgeroepen. Blijkens de inhoud van voormelde conclusie geldt dat op dat moment evident was dat TTA [gedaagde sub 6] verwijten maakt ten aanzien van de door hem verrichte prestaties. Gezien het tijdsverloop van drie maanden is de rechtbank van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat TTA niet tijdig heeft geklaagd.
dat hem de kans is ontnomen om de gevolgen van de vermeende beroepsfouten te herstellen, bijvoorbeeld door zich te voegen in het hoger beroep van het vonnis van 8 april 2015, alsmede dat TTA ten tijde van de aansprakelijkstelling van [gedaagde sub 6] een schikking met ABN had getroffen én het hoger beroep op dat moment reeds was doorgehaald, is hiervoor onvoldoende. De schikking tussen ABN en TTA dateert van
11 mei 2016 terwijl [gedaagde sub 6] in de betreffende procedure reeds op 2 december 2015 door TTA in vrijwaring is opgeroepen, zodat [gedaagde sub 6] zijn belangen vanaf voormelde datum had kunnen en behoren te bewaken en rekening had kunnen en behoren te houden met de mogelijkheid dat TTA hem tevens zou kunnen aanspreken op de door hem geleverde prestaties in bij rechtbank Gelderland gevoerde procedure. Daarnaast wordt niet ingezien dat [gedaagde sub 6] stelt dat hem de kans is ontnomen om de gevolgen van de vermeende beroepsfouten ter zake voormelde procedure te herstellen, gezien zijn ter comparitiezitting gedane verklaring dat hij een eventueel appèl niet kansrijk inschatte. Dit mede gezien in onderling samenhang en verband met de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 6] grieven heeft ontwikkeld, althans zich een inhoudelijk oordeel heeft gevormd over mogelijke grieven, noch dat deze zijn besproken met TTA. Gelet hierop wordt niet ingezien dat én waarom [gedaagde sub 6] in zijn processuele belangen zou zijn geschaad. Artikel 6:89 BW Pro staat dus niet in de weg aan de aansprakelijk-heidsstelling van [gedaagde sub 6] door TTA.
“(…)
€ 904,00(2 punten × tarief € 452,00)
4.De beslissing
14 dagen na aanschrijving door TTA volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening;