Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2]
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 september 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie die op 2 november 2016 heeft plaatsgevonden.
2.De feiten
3.Het geschil
primair: tot betaling van de schade die voortvloeit uit wanprestatie / onrechtmatige daad, tot gedeeltelijke ontbinding respectievelijk opheffing van het nadeel bij dwaling, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de interesten vanaf 27 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening,
subsidiair: tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan MB Equine van een som zoals de rechtbank in goede justitie moge behagen;
4.De beoordeling
Tevens is sprake van ongerechtvaardigde verrijking cq onverschuldigde betaling op grond waarvan [naam G] haar vordering kan instellen”.
e heer [gedaagde] wordt tevens aangesproken op bestuurdersaansprakelijkheid, hem valt immers een ernstig verwijt te maken, namelijk het misleiden van de contractspartij.” In alinea 36 werd vervolgens melding gemaakt van het arrest van de Hoge Raad van 8 december
Mevrouw [gedaagde] heeft gelet op het vorenstaande eveneens meegewerkt aan het misleiden van [naam G] en de vennootschap is aansprakelijk, omdat zij het geld van [naam G] heeft ontvangen”.