Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil en ambtshalve
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, sinds 2003 aandeelhouder van een Nederlandse vennootschap, emigreerde in 2009 naar België en werd daarmee buitenlandse belastingplichtige. Bij zijn voorgenomen terugkeer naar Nederland vroeg hij in 2015 om vaststelling van de verkrijgingsprijs van zijn aandelen, waarbij hij een hogere waarde dan de historische kostprijs stelde.
De inspecteur stelde de verkrijgingsprijs vast op de oorspronkelijke kostprijs van € 18.600 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, stellende dat de verkrijgingsprijs bij remigratie op de economische waarde moest worden vastgesteld, met beroep op goede verdragstrouw, gelijkheidsbeginsel en vrijheid van vestiging.
De rechtbank oordeelde dat artikel 4.25 van de Wet IB 2001, dat de verkrijgingsprijs bij binnenlandse belastingplicht regelt, niet van toepassing is zolang belanghebbende nog in België woont en het tijdstip van remigratie onbekend is. Daarom is de historische kostprijs terecht vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verkrijgingsprijs op de historische kostprijs.