Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
NV EBCON NETWORKS,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak staat centraal of de curator in het faillissement van N.V. Ebcon Holding en N.V. Ebcon Networks terecht vorderingen kan instellen tegen voormalige bestuurders [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:138 BW Pro), onbehoorlijk bestuur (art. 2:9 BW Pro) en onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro). De eisers betogen dat deze vorderingen verjaard zijn en dat de curator zich niet tijdig op stuiting van verjaring heeft beroepen.
De rechtbank analyseert het toepassingsgebied van art. 6:89 BW Pro (klachtplicht) en concludeert dat deze bepaling alleen geldt voor verbintenissen die tot een concrete prestatie verplichten. Voor vorderingen op grond van onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad geldt dit slechts indien de vordering feitelijk gebaseerd is op niet-nakoming van een concrete prestatie. In dit geval is dat niet het geval, zodat art. 6:89 BW Pro niet van toepassing is op de vorderingen op grond van art. 2:9 BW Pro en 6:162 BW.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de verjaring van de vorderingen. De curator heeft met brieven van 23 maart 2006 en 3/4 februari 2010 tijdig stuitingshandelingen verricht die de verjaring van de vorderingen op grond van art. 2:138 BW Pro, 2:9 BW en 6:162 BW hebben onderbroken. De verjaringstermijnen zijn daardoor niet verstreken. De rechtbank wijst de vorderingen van de eisers in conventie af en houdt de beslissing over de overige vorderingen aan tot het eindvonnis in reconventie.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen in conventie af en oordeelt dat de curator tijdig de verjaring heeft gestuit.