ECLI:NL:RBZWB:2016:534
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening vaststelling kinderbijdrage in familierechtelijke procedure
Partijen, die een affectieve relatie hadden waaruit een minderjarig kind is geboren, zijn in geschil over de vaststelling van een voorlopige kinderbijdrage. De vrouw verzoekt een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, terwijl de man verweer voert en een lager bedrag stelt.
De rechtbank beoordeelt het verzoek op grond van artikel 223 Rv Pro en stelt vast dat de vrouw voldoende belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat zij geen andere inkomstenbron heeft dan een ziektewetuitkering en de man sinds het uiteengaan niet bijdraagt. Zonder nader onderzoek naar behoefte en draagkracht, maar uitgaande van de door de man zelf gestelde draagkracht, wordt een voorlopige bijdrage van €251 per maand vastgesteld met ingang van 10 december 2015.
De rechtbank benadrukt het voorlopige karakter van deze bijdrage, die in de bodemprocedure nog kan worden aangepast. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.
Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige kinderbijdrage van €251 per maand vast met ingang van 10 december 2015.