Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 21 juli 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , [woonplaats eiser] , eiser,
SVB,kantoor Breda), verweerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om zijn AOW-uitkering toe te kennen volgens de norm van een samenwonende, omdat hij meent dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met mevrouw [naam betrokkene].
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser en mevrouw [naam betrokkene] hun hoofdverblijf delen en dat er sprake is van wederzijdse zorg, waaronder financiële bijdragen, gezamenlijke maaltijden en gezamenlijke sociale activiteiten. Dit voldoet aan de objectieve criteria voor een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.
Het huisbezoek van de SVB werd als redelijk beoordeeld, gelet op de twijfel over de juistheid van de door eiser verstrekte gegevens. De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht heeft geconcludeerd dat er geen louter zakelijke relatie bestaat.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proces- of schadevergoeding toegekend. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het SVB-besluit wordt ongegrond verklaard en het besluit bekrachtigd.